Pater Joseph de Acosta is,
voorzover nu bekend, de eerste die over de chinchilla’s geschreven heeft en hij deed dat in een boek over indianen van Zuid-Amerika, in 1590. Hij vermeldt o.a. dat de pelzen van deze dieren gebruikt werden als kleding en bedbedekking. Het geeft tegelijk de bijzondere relatie aan die er bestond tussen de chinchilla’s en de Indianen. Ze werden evenals de Vizcacha’s ook gegeten, maar het ging de indianen in de eerste plaats om de pels en de wol. De chinchilla’s werden door de indianen als huisdieren gefokt en dienden ook als speeldieren. Hun naam danken de chinchilla’s dan ook waarschijnlijk aan deze bijzondere relatie. Het is niet bekend hoe de indianen zelf hun dieren noemden, maar de Spanjaarden die de indianen ontmoetten noemden de kleine diertjes naar de indianenstam. Deze stam heette de Chinchas, de dieren werden in het Spaanse “kleine chinchas” = chinchilla’s genoemd.
Krug vermeldt nog een tweede hypothese m.b.t. de naamgeving van de chinchilla’s. Toen de Spaanse veroveraars de van chinchillawol gesponnen indianenkleden zagen, riep dat bij hun associaties op met de, uit de Spaanse stad “chinchilla” afkomstige, weefsels. De indianenkleden en de knaagdieren die de wol leverden werden daarom “chinchilla” genoemd. De Chincha’s werden later verslagen door de Inca’s die toen ook de chinchilla leerden kennen, vandaar dat de Inca’s ook regelmatig in verband met de chinchilla’s genoemd worden.
Een tweede, heel vroeg bericht over de chinchilla’s komt van de Engelse zeevaarder Sir John Hawkins (1532-1595) die ook weer met name de pels van deze dieren noemt.
De eerste aanzet tot het houden en fokken van deze dieren werd gegeven door de Jezuïeten Pater Juan Ignatio Molina (1740-1829) die daarover schreef in zijn boek over de natuur van Chili. Diverse pogingen tot het houden en fokken van chinchilla’s werden ondernomen, de eerste succesvolle rond 1870 door een zekere John Murray, maar daarover zijn slechts mondeling overgeleverde berichten bekend. Een tweede poging en de eerste die ook op schrift staat is die door Frederico Albert. In 1895 werd bij hem voor het eerst een chinchilla-jong geboren.

In Chili werden fokkerijen opgezet met de Chinchilla chinchilla brevicaudata. Het fokken van Chinchilla’s nam een bijzondere vlucht door toedoen van de Amerikaan M.F. Chapman in 1922. Na afloop van zijn werkvergunning in Chili besloot hij het fokken van chinchilla’s ter hand te nemen. De handel in chinchilla pelzen die van de in de natuurlevende chinchilla’s afkomstig waren had echter al zo grote vormen aangenomen dat het jagen en uitvoeren van chinchilla’s door de regering van Chili was verboden.

Dat de stand in de natuur behoorlijk was teruggelopen bleek ook wel uit de pogingen van Chapman om chinchilla’s uit de natuur te vangen. In 1902 citeerde Frederico Albert een oude schrijver die vermelde dat duizenden dieren om de poten van de muildieren van de reizigers wemelden en aldus de reizigers vermaakten; Chapman had maar liefst 5 jaar nodig voor hij 17 dieren gevangen had. Daarvan mocht hij er uiteindelijk 11 uitvoeren, wat het begin is geweest van de moderne chinchilla fokkerij in Amerika en Europa. De chinchilla’s die later in farms gehouden werden zijn vermoedelijk allen afstammelingen van deze chinchilla’s van Chapman. Aangezien hij de soort Chinchilla laniger had meegenomen, verklaart dat het feit dat de bij ons voorkomende chinchilla’s ook vrijwel uitsluitend behoren tot deze soort.
Alleen in Noorwegen werd in 1934, door F. Holst een fokkerij opgezet met Chinchilla chinchilla brevicaudata – dieren.
In de jaren 50 en 60 is uitgebreid met deze dieren gefokt in het kader van de pelsdierfokkerij. En ook nu nog worden miljoenen chinchilla’s op bontfarms gehouden. Met name in Amerika en Duitsland.
Juhn beschrijft waarom de chinchilla ook in zwang kwam als proefdier ten behoeve van allerlei research. De chinchilla 1. is klein en 2. eenvoudig te trainen 3. heeft het een lange levensduur 4. is een goedkoop proefdier omdat de research eenvoudigweg de afgedankte exemplaren van de bont fokkerij kan gebruiken. Verder stinken ze vrijwel niet en is hun wol gemakkelijk te verwijderen (bij chirurgie). Dat chinchilla’s vooral ook gebruikt werden in het onderzoek naar het gehoororgaan van de mens komt doordat het gehoororgaan van de chinchilla’s groot is (makkelijk toegankelijk) en overeenkomsten vertoont met dat van de mens en weinig gevoelig zou zijn voor middenoorontstekingen.
De laatste jaren wordt de chinchilla meer en meer voor een nieuw doel gehouden, namelijk als gezelschapsdier. Veel particulieren raken geboeid door het gedrag van deze diersoort en besluiten chinchilla’s thuis te gaan houden. Eigenlijk wordt hiermee niet een nieuw doel geïntroduceerd. De indianen hielden hun chinchilla’s immers ook al als huis- en speeldier?!

